8 november 2011

Een roos in mijn haar, een slecht gerolde sigaret in mijn mond. 
Alle dingen die je me gaf op een avond, waar ik zoveel meer van had verwacht. 
We hadden een strand, wijn, een zonsondergang. En toch liep onze liefde de klippen op. Bedolven onder de golven verdween ons moto van eeuwig samenzijn. Nimmer zullen we hand in hand wegsijpelen in de schaduw der ochtendglorie.

Volgende ochtend. Mijn kater spint nog verroeste herinneringen die niet te verdrinken vallen met met maten, noch vaten. Ik weet het nog allemaal zo goed dat we samen ronddwaalden.

Fietspad, grindpad. ''een twaalfletterwoord zonder klinkers,'' vraag je lachend. Ik, iemand zonder gevoel voor humor, haal mijn schouders op. ''een zandweggentje!'' Zonder kreuken ga je strijk van het lachen. Ondertussen fietsen we verder, lach ik omdat de onzekerheid me parte speelt. Ik was al 'n tijd verliefd op jou, ik wou al 'n tijd ontpoppen gelijk een rups. Zoals die dat in mijn buik hadden gedaan, en vlinders waren geworden. Ik ben verliefd, niemand mag het weten.

Herrineringen roesten, gelijk liefde. Maar een liefde zonder zuurstof, blijft niet leven. Ochtendstond heeft sigaret in de mond, en al jouw wegen... leiden naar 'n ander.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten